Het korte antwoord
De verordening behandelt koeltransport als mobiele apparatuur, maar niet als één categorie. Zij splitst het wagenpark in twee groepen met dezelfde drempels en verschillende tijdschema's.
- Groep 1 — artikel 5, lid 3, punt a): koeleenheden van koelwagens en koelaanhangwagens. Daarvoor geldt de lekcontrole zonder overgangsdatum.
- Groep 2 — artikel 5, lid 3, punt b): koeleenheden van lichte koelvoertuigen, van gekoelde intermodale containers met inbegrip van reefers, en van gekoelde treinwagons. Artikel 5, lid 5, bepaalt dat de leden 1 en 6 voor hun exploitanten pas vanaf 12 maart 2027 gelden.
- Wie controleert: artikel 5, lid 3, tweede alinea, verwijst voor beide groepen naar natuurlijke personen die overeenkomstig artikel 10 gecertificeerd zijn.
- Wat er niet is: geen verplichting tot een lekkagedetectiesysteem (artikel 6 betreft alleen stationaire apparatuur) en geen post in bijlage IV voor transportkoeling.
Geen eisen voor het vervoer van gevaarlijke goederen, geen UN-nummers, geen eisen uit de ATP-overeenkomst, geen nationale boetebedragen, geen prijzen en geen levertijden. Ook geen vulling van een bepaald type koelunit: die staat op het etiket van de apparatuur en in de documentatie van de fabrikant.
De definities die de groep bepalen
Artikel 3 definieert drie voertuigtypen; wat ze scheidt is het gewicht en de wijze van voortbeweging, niet het type koelunit.
| Term | Definitie in artikel 3 | Plaats in artikel 5, lid 3 |
|---|---|---|
| Koelwagen (punt 23) | Motorvoertuig met een gewicht van meer dan 3,5 ton dat primair bestemd en gebouwd is om goederen te vervoeren en dat met een koeleenheid is uitgerust | Punt a) |
| Koelaanhangwagen (punt 24) | Voertuig dat bestemd en gebouwd is om door een wegvoertuig of een trekker te worden gesleept, primair om goederen te vervoeren, en dat met een koeleenheid is uitgerust | Punt a) |
| Licht koelvoertuig (punt 25) | Motorvoertuig met een gewicht van niet meer dan 3,5 ton dat primair bestemd en gebouwd is om goederen te vervoeren en dat met een koeleenheid is uitgerust | Punt b) |
| Intermodale containers en treinwagons | Rechtstreeks in de tekst van punt b) genoemd, samen met reefers | Punt b) |
Voorwerp van de verplichting is de koeleenheid, niet het voertuig. Een vrachtwagen boven 3,5 ton zonder koelunit valt nergens onder; een unit op een aanhangwagen valt onder punt a), ongeacht wat de aanhangwagen die dag vervoert.
De cabineairco is een heel andere post: die staat in artikel 5, lid 3, punt c), samen met zware voertuigen en bestelwagens, en volgt de regels in de gids over voertuigairco. Een trekker kan dus twee verschillend geregelde installaties op hetzelfde chassis hebben.
Drempels, intervallen en registers
De instapdrempel. Artikel 5, lid 1: exploitanten en fabrikanten van apparatuur die 5 ton CO2-equivalent of meer bevat van de in bijlage I vermelde gefluoreerde broeikasgassen, of 1 kilogram of meer van de in deel 1 van bijlage II vermelde gassen die niet in schuim zijn vervat, zorgen ervoor dat de apparatuur op lekken wordt gecontroleerd.
Voor de in het transport gebruikte mengsels is de drempel in kilogram gelijk aan 5 000 gedeeld door het GWP van het mengsel, berekend volgens bijlage VI. Bij een GWP van 3 922, het geval R-404A, wordt de drempel bereikt bij ongeveer 1,3 kilogram. Bij een GWP van ongeveer 2 139, het geval R-452A, bij ongeveer 2,3 kilogram. In de praktijk zit vrijwel elke transportunit erboven.
De intervallen. Artikel 5, lid 6, gebruikt dezelfde banden als voor stationaire installaties:
| Inhoud | Zonder detectiesysteem | Met detectiesysteem |
|---|---|---|
| Minder dan 50 ton CO2-equivalent (bijlage I) of minder dan 10 kg (deel 1 van bijlage II) | Ten minste om de 12 maanden | Ten minste om de 24 maanden |
| 50 ton CO2-equivalent of meer, maar minder dan 500 ton (of 10 kg of meer, maar minder dan 100 kg) | Ten minste om de 6 maanden | Ten minste om de 12 maanden |
| 500 ton CO2-equivalent of meer (of 100 kg of meer) | Ten minste om de 3 maanden | Ten minste om de 6 maanden |
De derde kolom blijft in het transport theoretisch: artikel 6 legt mobiele apparatuur geen detectiesysteem op, en vrijwillige inbouw is niet verboden. Heeft een unit zo'n systeem, dan koppelt de tekst van lid 6 het langere interval aan het feit dat het systeem geïnstalleerd is, niet aan een verplichting.
Registers. Artikel 7, lid 1, verplicht exploitanten van apparatuur die op grond van artikel 5, lid 1, moet worden gecontroleerd, voor elke installatie afzonderlijk een register bij te houden: hoeveelheid en soort gassen, bij installatie en bij onderhoud toegevoegde hoeveelheden, teruggewonnen hoeveelheid, of toegevoegde gassen gerecycleerd of geregenereerd waren, de identiteit van de onderneming die het werk verrichtte en haar certificaatnummer, data en resultaten van de controles en van reparaties, en bij buitendienststelling de maatregelen tot terugwinning en verwijdering. Artikel 7, lid 2, verlangt bewaring gedurende ten minste vijf jaar, zowel door de exploitant als door de uitvoerende onderneming, tenzij de gegevens in een databank van de bevoegde autoriteiten worden opgeslagen.
Een praktisch detail: het register volgt de apparatuur, dus de unit, niet het voertuig. Verhuist een unit naar een andere aanhangwagen, dan gaat het dossier mee. De afzonderlijke velden staan in het installatieregister, de logica van de intervallen in de controlefrequentie.
Na een reparatie. Artikel 4, lid 5, tweede alinea, verlangt voor controleplichtige apparatuur na reparatie van een lekkage een controle door een gecertificeerde natuurlijke persoon, ten vroegste na 24 uur bedrijfstijd en uiterlijk één maand na de reparatie. Voor de in artikel 5, lid 3, punten a), b) en c), genoemde mobiele apparatuur staat diezelfde alinea toe die controle direct na de reparatie te verrichten.
Certificaten, gecertificeerde bedrijven en de aankoop van het gas
Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2215 dekt in artikel 1, punten d) en e), uitdrukkelijk de koeleenheden van koelwagens en koelaanhangwagens en die van lichte koelvoertuigen, intermodale containers en treinwagons. Artikel 2, lid 1, somt de certificaatplichtige activiteiten op: lekcontroles, installatie, reparatie, onderhoud of service en buitendienststelling, en terugwinning — die laatste in punt d) uitsluitend voor de koelcircuits van koeleenheden van koelwagens en koelaanhangwagens.
| Certificaat | Reikwijdte volgens artikel 3, lid 2 |
|---|---|
| A1 | Alle activiteiten van artikel 2, lid 1, voor gefluoreerde broeikasgassen en koolwaterstoffen |
| A2 | Dezelfde activiteiten, beperkt tot apparatuur met een vulling van minder dan 3 kilogram of, bij als zodanig geëtiketteerde hermetisch gesloten systemen, minder dan 6 kilogram |
| B | Alle activiteiten, met betrekking tot kooldioxide (CO2) |
| C | Alle activiteiten, met betrekking tot ammoniak (NH3) |
| D | Alleen terugwinning, bij apparatuur met minder dan 3 kilogram of, bij geëtiketteerde hermetisch gesloten systemen, minder dan 6 kilogram gefluoreerde broeikasgassen |
| E | Alleen lekcontroles, mits de activiteit geen openen van het koelcircuit vergt |
Het bedrijf, niet alleen de monteur. Artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2024/573 verlangt dat rechtspersonen die installatie, onderhoud of service, reparatie of buitendienststelling verrichten van de in artikel 5, lid 2, punten a) tot en met e), en artikel 5, lid 3, punten a) en b), genoemde apparatuur, gecertificeerd zijn. Daar vallen werkplaatsen onder die aan transportunits werken. De voorwaarden staan in artikel 6 van Verordening (EU) 2024/2215: voldoende gecertificeerd personeel voor het verwachte werkvolume en het bewijs dat de nodige gereedschappen en procedures beschikbaar zijn.
Smalle uitzonderingen. Artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening stelt personen vrij die onderdelen hardsolderen, zachtsolderen of lassen, mits zij de naar nationaal recht vereiste kwalificatie bezitten en werken onder toezicht van een certificaathouder die volledig verantwoordelijk is voor de juiste uitvoering. Artikel 3, lid 4, staat cursisten toe onder toezicht te werken voor perioden van in totaal ten hoogste 24 maanden.
Terugwinning in groep 2. Voor eenheden van lichte koelvoertuigen, intermodale containers en treinwagons volstaat een opleidingsattest: artikel 10, lid 1, tweede alinea, punt b), van Verordening (EU) 2024/573, met de minimumeisen in artikel 1, lid 1, punt c), en artikel 2, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1893, die daarvoor de attesten M1, M2 en M4 kent.
Aankoop van het gas. Artikel 11, lid 6, van Verordening (EU) 2024/573 behoudt de aankoop van de gassen van bijlage I en van deel 1 van bijlage II voor aan gecertificeerde personen of aan ondernemingen die zulke personen in dienst hebben, voor werk aan de genoemde apparatuur, waaronder artikel 5, lid 3, punten a) en b). De verkoper verkoopt uitsluitend aan die ondernemingen. Wat getoond moet worden staat in wie koudemiddel mag kopen, en de erkenning van certificaten tussen lidstaten, op grond van artikel 9 van Verordening (EU) 2024/2215 en artikel 10, lid 10, van de basisverordening, in geldigheid en erkenning van het certificaat.
Terugwinning bij onderhoud en aan het einde van de levensduur
Artikel 8, lid 1, verplicht exploitanten ervoor te zorgen dat de gassen worden teruggewonnen en, na buitendienststelling van de apparatuur, worden gerecycleerd, geregenereerd of vernietigd. De terugwinning wordt verricht door natuurlijke personen die houder zijn van de relevante certificaten van artikel 10.
- Artikel 8, lid 3, punt a): de verplichting geldt voor de koelcircuits van koeleenheden van koelwagens en koelaanhangwagens. Hier is geen uitstel.
- Artikel 8, lid 3, punt b): dezelfde circuits, voor lichte koelvoertuigen, intermodale containers met inbegrip van reefers, en treinwagons. Artikel 8, lid 5, bepaalt dat de verplichting voor hun exploitanten vanaf 12 maart 2027 geldt.
- Artikel 8, lid 6: teruggewonnen gassen van bijlage I en van deel 1 van bijlage II worden niet gebruikt voor het vullen of bijvullen van apparatuur tenzij zij zijn gerecycleerd of geregenereerd.
- Artikel 8, lid 7: een onderneming die een drukvat met gefluoreerde broeikasgassen gebruikt, zorgt onmiddellijk vóór de verwijdering ervan voor terugwinning van de restgassen.
Artikel 4 maakt het beeld compleet: lid 1 verbiedt opzettelijk uitstoten wanneer dat technisch niet noodzakelijk is, lid 3 verlangt alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen tegen onopzettelijke uitstoot, ook tijdens vervoer en opslag, en lid 5 verlangt reparatie zonder onnodige vertraging. De praktische stappen staan in de terugwinplicht.
Welke gassen nog in de unit mogen
De gebruiksverboden staan in artikel 13, en voor koeltransport doet één onderscheid in de tekst al het werk.
Het gebruik van gefluoreerde broeikasgassen met een GWP van 2 500 of meer voor het onderhoud of de service van koelapparatuur met een vulling van 40 ton CO2-equivalent of meer is verboden. Vanaf 1 januari 2025 is het gebruik van gefluoreerde broeikasgassen met een GWP van 2 500 of meer voor het onderhoud of de service van alle koelapparatuur verboden.
De tekst spreekt van koelapparatuur, zonder die tot stationaire te beperken; transportkoeleenheden vallen er dus onder. De tweede alinea zondert militaire uitrusting uit en apparatuur bestemd voor toepassingen die producten tot onder min 50 °C koelen. De derde alinea schort het verbod tot 1 januari 2030 op voor twee categorieën: geregenereerde gassen van bijlage I met een GWP van 2 500 of meer voor onderhoud van bestaande koelapparatuur, mits de drukvaten zijn geëtiketteerd overeenkomstig artikel 12, lid 7; en gerecycleerde gassen in dezelfde band, mits zij uit zulke apparatuur zijn teruggewonnen en worden gebruikt door de onderneming die de terugwinning uitvoerde of door die waarvoor zij werd uitgevoerd.
Het contrast met lid 5. Vanaf 1 januari 2032 is het gebruik van gassen van bijlage I met een GWP van 750 of meer voor het onderhoud of de service van stationaire koelapparatuur, met uitzondering van chillers, verboden. Het woord stationair telt: lid 5 raakt transportunits niet. Die asymmetrie verklaart waarom een transportunit ook na 2032 met mengsels in de band 2 000 tot 2 500 kan worden onderhouden, terwijl een vergelijkbare stationaire installatie dat niet kan.
Voor het wagenpark betekent dit: R-404A, met een volgens bijlage VI berekend GWP van 3 922, ligt boven de grens van 2 500 en mag sinds 1 januari 2025 niet meer als nieuw gas bij onderhoud worden gebruikt. R-452A, met een GWP van ongeveer 2 139, blijft eronder. De status van beide staat op de R-404A-pagina en de R-452A-pagina, en de vervangingsopties in R-404A vervangen en in de onderhoudsverboden.
Wat de verordening voor koeltransport niet eist
De lijst van wat ontbreekt is net zo nuttig als de lijst van verplichtingen. Elk punt is een leemte in de tekst, geen verleende vrijstelling.
- Geen verplicht lekkagedetectiesysteem. Artikel 6, leden 1 en 2, richt zich tot exploitanten van de in artikel 5, lid 2, genoemde stationaire apparatuur. Geen enkele transportunit valt daaronder, ongeacht de vulling.
- Geen post in bijlage IV. Bijlage IV somt verboden op het in de handel brengen op voor stationaire koeling, chillers, stationaire airconditioning en warmtepompen, schuim, aerosolen en andere producten. Transportkoeling komt er niet in voor, dus er is geen datum vanaf wanneer een nieuwe unit met een bepaald GWP op grond van die bijlage niet meer in de handel zou mogen worden gebracht.
- Geen periodieke controle van het detectiesysteem. Artikel 6, leden 3 en 4, dat controle van het systeem zelf verlangt, betreft eveneens stationaire apparatuur.
- Schepen: buiten de lijst. Artikel 5, lid 3, noemt geen koelapparatuur aan boord van schepen. De overwegingen van de verordening stellen dat hun exploitanten voorzorgsmaatregelen tegen lekkage moeten nemen en vastgestelde lekkage zonder onnodige vertraging moeten repareren, en artikel 35 noemt de scheepvaartsector onder de onderwerpen die de Commissie bij de evaluatie van de uitvoering van de verordening onderzoekt.
Wat wel blijft gelden voor elke installatie met gefluoreerde broeikasgassen: het hele artikel 4, de terugwinplicht van artikel 8 en de etiketteringseisen van artikel 12. Op grond van artikel 12, lid 3, moet het etiket vermelden dat de apparatuur gefluoreerde broeikasgassen bevat, de aanvaarde industriële benaming van het gas, de hoeveelheid in gewicht en in CO2-equivalent en het GWP; het formaat is vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2174. Het detail staat in het etiket van de apparatuur.
Checklist voor het wagenpark
- Deel elke unit inPunt a) voor vrachtwagens en aanhangwagens, punt b) voor lichte voertuigen, containers en wagons. De tijdschema's verschillen.
- Bereken de drempel per unitArtikel 5, lid 1: 5 ton CO2-equivalent voor bijlage I, 1 kilogram voor deel 1 van bijlage II. Deel 5 000 door het GWP van het mengsel.
- Kies het interval uit de juiste bandArtikel 5, lid 6: 12, 6 of 3 maanden, afhankelijk van de inhoud.
- Controleer wie de lekcontrole tekentArtikel 5, lid 3, tweede alinea: een overeenkomstig artikel 10 gecertificeerde natuurlijke persoon.
- Bevestig het bedrijfscertificaatArtikel 10, lid 2, en artikel 6 van Verordening (EU) 2024/2215: de rechtspersoon moet gecertificeerd zijn.
- Open een dossier per unitArtikel 7, lid 1: registers voor elke installatie, vijf jaar te bewaren op grond van artikel 7, lid 2.
- Plan de controle na reparatieArtikel 4, lid 5, tweede alinea: bij de mobiele apparatuur van artikel 5, lid 3, mag die direct na de reparatie plaatsvinden.
- Controleer het GWP vóór onderhoudArtikel 13, lid 3: 2 500 of meer is sinds 1 januari 2025 verboden, behoudens de derde alinea.
- Win terug bij elke opening en aan het levenseindeArtikel 8, leden 1, 3, punt a), en 7.
Veelgestelde vragen
Geldt het uitstel tot 2027 ook voor de unit op mijn aanhangwagen?
Nee. Artikel 5, lid 5, bepaalt dat de leden 1 en 6 niet gelden voor exploitanten van de mobiele apparatuur van artikel 5, lid 3, punten b) en c). Koelaanhangwagens staan in punt a), dus de lekcontrole geldt voor hen zonder overgangsdatum. Dezelfde structuur staat in artikel 8, lid 5, voor de terugwinning.
Moet ik een lekkagedetectiesysteem op de unit inbouwen?
Niet op grond van de verordening. Artikel 6, leden 1 en 2, richt zich tot exploitanten van de in artikel 5, lid 2, genoemde stationaire apparatuur. Is zo'n systeem toch geïnstalleerd, dan staat artikel 5, lid 6, het langere controle-interval van de betrokken band toe.
Mag ik een unit nog met R-404A bijvullen?
Niet met nieuw gas. Artikel 13, lid 3, verbiedt sinds 1 januari 2025 het gebruik van gefluoreerde broeikasgassen met een GWP van 2 500 of meer voor het onderhoud of de service van alle koelapparatuur, en R-404A heeft een volgens bijlage VI berekend GWP van 3 922. De derde alinea laat tot 1 januari 2030 geregenereerd gas met etikettering volgens artikel 12, lid 7, en gerecycleerd gas uit zulke apparatuur toe, onder de daar genoemde voorwaarden.
Raakt het GWP-750-verbod vanaf 2032 ook transportunits?
Zoals artikel 13, lid 5, is geformuleerd niet: het richt zich op stationaire koelapparatuur, met uitzondering van chillers. Transportkoeleenheden zijn niet stationair in de zin van artikel 3, punt 20. Het verbod van 2 500 uit lid 3 blijft gelden.
Wie mag het gas uit een reefercontainer terugwinnen?
Artikel 10, lid 1, tweede alinea, punt b), van Verordening (EU) 2024/573 verlangt voor die activiteit ten minste een opleidingsattest, en Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1893 kent daarvoor de attesten M1, M2 of M4. Bij vrachtwagens en aanhangwagens vergt terugwinning daarentegen een certificaat op grond van artikel 2, lid 1, punt d), van Verordening (EU) 2024/2215.
Wordt het register per voertuig of per unit bijgehouden?
Artikel 7, lid 1, verlangt registers voor elke installatie die op grond van artikel 5, lid 1, moet worden gecontroleerd. De installatie is de koeleenheid. Verhuist de unit naar een ander voertuig, dan gaat het dossier mee, en de identiteit van de betrokken ondernemingen blijft op grond van punt e) in het register.
Officiële bronnen
De hoofdstukken II en III van de verordening zijn integraal gelezen in de tekst van het Publicatieblad, samen met de bijlagen I, II, IV en VI en de aangehaalde uitvoeringsverordeningen.
Actualiteit van deze pagina en aansprakelijkheidsgrenzen
Deze pagina geeft het F-gasregime voor transportkoeleenheden weer. Zij bevat geen eisen voor het vervoer van gevaarlijke goederen, geen eisen uit de ATP-overeenkomst, geen nationale keuringsregels en geen boetebedragen, en bevestigt de vulling van geen enkel type unit.
Algemene informatie, opgesteld door EgoLog op basis van de officiële teksten. Het is geen juridisch advies en het vervangt niet de documentatie van de fabrikant van de koelunit.
Werk aan het koudemiddelcircuit wordt alleen uitgevoerd door personen en bedrijven met de certificaten die artikel 10 van Verordening (EU) 2024/573 en Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2215 vereisen. Voor brandbare koudemiddelen, zie veiligheidsklassen.
