Kort antwoord
Artikel 9 van Verordening (EU) 2024/573 is één lange zin en zegt drie dingen.
- Wie moet handelen: de lidstaten, niet de ondernemingen. De tekst verplicht hen ervoor te zorgen dat uiterlijk op 31 december 2027 de financieringsverplichtingen voor afgedankte elektrische en elektronische apparatuur zoals bedoeld in de artikelen 12 en 13 van Richtlijn 2012/19/EU ook het gas omvatten.
- Wat wordt gefinancierd: de terugwinning en de recycling, regeneratie of vernietiging van de in de bijlagen I en II bij de verordening vermelde gefluoreerde broeikasgassen uit producten en apparatuur die die gassen bevatten.
- Voor welke apparatuur: alleen voor apparatuur die elektrische en elektronische apparatuur is in de zin van Richtlijn 2012/19/EU en die vanaf 11 maart 2024 in de handel is gebracht.
De tweede alinea voegt één zin toe: de lidstaten stellen de Commissie in kennis van de ondernomen acties. Het artikel opent met de woorden "onverminderd bestaande regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid": de nationale regelingen blijven bestaan, er komt iets bij.
Geen tarieven, bijdragen of namen van nationale producentenorganisaties, want de verordening stelt die niet vast en deze pagina citeert geen nationale regelgeving. Ook geen beschrijving van de manier waarop een bepaalde lidstaat artikel 9 heeft omgezet: de termijn in de tekst is nog niet verstreken. Voor de terugwinningsplicht zelf, die al geldt, zie de aparte gids.
Wat artikel 9 letterlijk zegt
Artikel 9 heeft als opschrift "Regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid" en kent geen genummerde leden. Het bestaat uit twee alinea's.
Onverminderd bestaande regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zorgen de lidstaten ervoor dat de financieringsverplichtingen voor afgedankte elektrische en elektronische apparatuur zoals bedoeld in de artikelen 12 en 13 van Richtlijn 2012/19/EU uiterlijk op 31 december 2027 de financiering van de terugwinning omvatten, en de recycling, regeneratie of vernietiging, van de in de bijlagen I en II bij deze verordening vermelde gefluoreerde broeikasgassen uit producten en apparatuur die die gassen bevatten, die elektrische en elektronische apparatuur zijn in de zin van Richtlijn 2012/19/EU en die vanaf 11 maart 2024 in de handel zijn gebracht.
Vier formuleringen verdienen aandacht, omdat elk daarvan het bereik verruimt of beperkt:
- Bijlagen I en II, niet bijlage III. Bijlage I bevat de fluorkoolwaterstoffen, perfluorkoolstoffen en overige gassen als bedoeld in artikel 2, punt a); bijlage II bevat onverzadigde fluor(chloor)koolwaterstoffen en andere gefluoreerde stoffen. Bijlage III wordt in artikel 9 niet genoemd.
- Producten en apparatuur "die die gassen bevatten". Anders dan artikel 2, punt b), dat ook producten omvat die die gassen nodig hebben voor hun werking, spreekt artikel 9 alleen van bevatten.
- De financieringsverplichtingen "zoals bedoeld in de artikelen 12 en 13". Artikel 9 verbreedt niet de hele AEEA-richtlijn, maar precies die twee financieringsartikelen.
- "Vanaf 11 maart 2024 in de handel gebracht". Dat is de toepassingsdatum van de verordening zelf. Oudere apparatuur wordt door dit artikel niet geraakt.
De tweede alinea luidt: de lidstaten stellen de Commissie in kennis van de ondernomen acties. De verordening kent daarvoor geen aparte termijn en geen formulier.
Welke apparatuur EEA is in de zin van de richtlijn
Artikel 9 definieert de apparatuur niet. Het verwijst naar Richtlijn 2012/19/EU, waar de definitie in artikel 3, lid 1, punt a), staat: elektrische en elektronische apparatuur is apparatuur die afhankelijk is van elektrische stromen of elektromagnetische velden om naar behoren te werken, en apparatuur voor het opwekken, overbrengen en meten van die stromen en velden, ontworpen voor gebruik met een spanning van maximaal 1 000 volt bij wisselstroom en 1 500 volt bij gelijkstroom.
Sinds 15 augustus 2018 geldt de richtlijn krachtens artikel 2, lid 1, punt b), voor alle EEA, ingedeeld in de categorieën van bijlage III (open toepassingsgebied).
| Categorie van bijlage III | Belang voor de koeltechniek |
|---|---|
| 1. Warmte- of koude-uitwisselende apparatuur | De hoofdcategorie. Bijlage IV, punt 1, noemt koelkasten, diepvriezers, apparatuur die automatisch koude producten levert, airconditioningapparatuur, ontvochtigingsapparatuur, warmtepompen en andere warmte-uitwisselende apparatuur die andere vloeistoffen dan water gebruikt. |
| 2. Schermen en monitoren met een oppervlak groter dan 100 cm2 | Geen direct verband. |
| 3. Lampen | Geen direct verband. |
| 4. Grote apparatuur (buitenafmeting meer dan 50 cm) | Kan aanverwante apparatuur omvatten, maar niet die van de categorieën 1 tot en met 3. |
| 5. Kleine apparatuur (geen buitenafmeting meer dan 50 cm) | Idem, met uitzondering van de categorieën 1 tot en met 3 en 6. |
| 6. Kleine IT- en telecommunicatieapparatuur | Geen direct verband. |
De uitsluitingen wegen minstens even zwaar. Artikel 2, lid 4, van de richtlijn haalt sinds 15 augustus 2018 onder meer uit het toepassingsgebied: grote, niet-verplaatsbare industriële werktuigen; grote vaste installaties, met uitzondering van apparatuur die niet specifiek is ontworpen en geïnstalleerd als onderdeel van die installaties; vervoermiddelen voor personen of goederen, met uitzondering van niet-typegoedgekeurde elektrische voertuigen op twee wielen; en niet voor de weg bestemde mobiele machines die uitsluitend voor professioneel gebruik beschikbaar worden gesteld. Artikel 2, lid 3, sluit daarnaast apparatuur uit die nodig is voor de bescherming van wezenlijke veiligheidsbelangen.
In de praktijk: een splitairco, een warmtepomp, een koelvitrine of een vrieskast zijn doorgaans elektrische en elektronische apparatuur. Een ter plaatse gebouwde industriële koelinstallatie kan onder het begrip grote vaste installatie vallen; dan reikt artikel 9 er niet naartoe, maar de terugwinningsplicht van artikel 8 van de verordening geldt hoe dan ook. Zie terugwinning van koudemiddel en warmtepompen en de verboden van bijlage IV.
Wie producent is, en waarom het woord misleidt
In Richtlijn 2012/19/EU betekent producent niet fabrikant. Artikel 3, lid 1, punt f), noemt vier situaties, en de derde vangt de meeste apparatuurhandelaren:
- i) in een lidstaat is gevestigd en EEA onder eigen naam of merk vervaardigt, of laat ontwerpen of vervaardigen en onder eigen naam of merk verhandelt op het grondgebied van die lidstaat;
- ii) in een lidstaat is gevestigd en daar onder eigen naam of merk apparatuur van andere leveranciers doorverkoopt; een wederverkoper geldt niet als producent indien het merk van de producent overeenkomstig punt i) op de apparatuur voorkomt;
- iii) in een lidstaat is gevestigd en beroepsmatig EEA uit een derde land of uit een andere lidstaat in de handel brengt op de markt van die lidstaat;
- iv) EEA via technieken voor communicatie op afstand rechtstreeks verkoopt aan particuliere huishoudens of andere gebruikers in een lidstaat, en in een andere lidstaat of in een derde land is gevestigd.
Punt g) definieert afzonderlijk de distributeur: elke persoon in de toeleveringsketen die EEA op de markt aanbiedt. Die definitie belet niet dat een distributeur tegelijk producent is in de zin van punt f).
Artikel 16, lid 1, van de richtlijn verplicht de lidstaten een register van producenten op te stellen, ook van producenten die EEA op afstand leveren. Artikel 16, lid 2, vereist dat elke producent, of diens gemachtigde, geregistreerd is en de gegevens van bijlage X verstrekt. Artikel 17 staat toe een gemachtigde aan te wijzen bij schriftelijk mandaat wanneer de producent in een andere lidstaat is gevestigd.
Wie beroepsmatig uit een ander land betrokken apparatuur op de nationale markt brengt, is voor die apparatuur producent in de zin van de AEEA-richtlijn, ook zonder ooit iets te hebben gefabriceerd. De financieringsverplichting die artikel 9 verbreedt, raakt hem rechtstreeks. Zie ook import van voorgevulde apparatuur en verkoop van voorgevulde apparatuur aan eindgebruikers.
Wat vandaag wordt gefinancierd en wat erbij komt
De bestaande basis. Artikel 12, lid 1, van Richtlijn 2012/19/EU verplicht de lidstaten ervoor te zorgen dat producenten ten minste de financiering verzorgen van de inzameling, verwerking, nuttige toepassing en milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van AEEA van particuliere huishoudens die is afgegeven bij de krachtens artikel 5, lid 2, gecreëerde inzamelingsinrichtingen. Artikel 13, lid 1, doet hetzelfde voor AEEA van andere gebruikers dan particuliere huishoudens, voor producten die na 13 augustus 2005 in de handel zijn gebracht.
Wat artikel 9 van de verordening toevoegt. Diezelfde financieringsverplichtingen moeten uiterlijk op 31 december 2027 ook de terugwinning van het gas en de recycling, regeneratie of vernietiging ervan omvatten. In de praktijk kan de kostenpost van het gas niet langer als externaliteit bij de verwerkingsinrichting blijven liggen: zij wordt onderdeel van wat de producent financiert.
Waarom dit technisch niets nieuws is. De AEEA-richtlijn eiste al dat het gas uit het apparaat werd gehaald. Artikel 8, lid 2, bepaalt dat een passende verwerking ten minste de verwijdering van alle vloeistoffen en een selectieve verwerking overeenkomstig bijlage VII omvat; bijlage VII, punt 1, noemt uitdrukkelijk, onder de stoffen die uit alle gescheiden ingezamelde AEEA moeten worden verwijderd, chloorfluorkoolwaterstoffen, fluorkoolwaterstoffen en koolwaterstoffen. Artikel 5, lid 1, vraagt bovendien om een hoog niveau van gescheiden inzameling, in het bijzonder en bij voorrang voor warmte- of koude-uitwisselende apparatuur die ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen bevat.
Artikel 9 verandert dus wie betaalt, niet wat er gebeurt.
Onafhankelijk van artikel 9 gelden al de verplichtingen van artikel 8 van de verordening: terugwinning door naar behoren gekwalificeerde natuurlijke personen, het verbod om teruggewonnen gas te gebruiken voor het vullen of bijvullen van apparatuur tenzij het is gerecycleerd of geregenereerd (artikel 8, lid 6), en de plicht om restgassen uit een houder terug te winnen onmiddellijk voordat die wordt verwijderd (artikel 8, lid 7). Artikel 8, lid 13, verplicht de lidstaten terugwinning, recycling, regeneratie en vernietiging te bevorderen.
De data: 11 maart 2024, 13 augustus 2005 en 31 december 2027
In dit dossier circuleren drie data die niet hetzelfde betekenen.
| Datum | Waar het staat | Wat het scheidt |
|---|---|---|
| 13 augustus 2005 | Artikel 12, leden 3 en 4, en artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2012/19/EU | De grens tussen historisch afval en producten waarvoor elke producent zijn eigen goederen financiert. Artikel 15, lid 2, vraagt om een merkteken waarmee de datum van in de handel brengen ondubbelzinnig kan worden vastgesteld. |
| 11 maart 2024 | Artikel 9 van Verordening (EU) 2024/573 | Alleen apparatuur die vanaf deze datum in de handel is gebracht, valt onder de verbreding naar het gas. |
| 31 december 2027 | Artikel 9 van Verordening (EU) 2024/573 | De datum waarop de lidstaten de opname van het gas in de financieringsverplichtingen moeten hebben verzekerd. |
De financieringsgarantie. Artikel 12, lid 3, tweede alinea, van de richtlijn vereist dat elke producent bij het in de handel brengen van een product een garantie stelt waaruit blijkt dat het beheer van alle AEEA zal worden gefinancierd. De garantie kan bestaan in deelname aan een passende financieringsregeling, een recyclingverzekering of een geblokkeerde bankrekening. De producent kan de verplichting individueel of via een collectieve regeling nakomen.
Historisch afval. Voor producten die op of vóór 13 augustus 2005 in de handel zijn gebracht, bepaalt artikel 12, lid 4, dat de financiering wordt gedragen door een of meer systemen waaraan alle op het tijdstip van de kosten bestaande producenten evenredig bijdragen. Voor andere gebruikers dan particuliere huishoudens splitst artikel 13, lid 1, tweede en derde alinea, het historische afval in tweeën: afval dat wordt vervangen door nieuwe gelijkwaardige producten of door nieuwe producten met dezelfde functie wordt bij levering gefinancierd door de producenten van die nieuwe producten, waarbij lidstaten de professionele gebruiker in plaats daarvan geheel of gedeeltelijk verantwoordelijk mogen stellen; overig historisch afval wordt door die gebruikers gefinancierd. Artikel 13, lid 2, laat andersluidende financieringsafspraken tussen producenten en professionele gebruikers toe.
Wat op Europees niveau niet is geregeld
Artikel 9 is een resultaatsverplichting die zich richt tot de lidstaten. De verordening legt niets vast van wat een bedrijf concreet wil weten:
- Geen bedrag. De verordening stelt geen bijdrage vast, geen tarief per kilogram gas en geen schaal per apparatuurcategorie.
- Geen structuur. De keuze tussen een collectieve regeling en individuele naleving blijft krachtens artikel 12, lid 3, van de richtlijn aan de producent, binnen de grenzen van het nationale recht.
- Geen rekenmethode. De tekst zegt niet of een lidstaat de bijdrage moet koppelen aan het soort gas, de vulling in kilogram, het CO2-equivalent of de apparatuurcategorie.
- Geen formulier. De tweede alinea verlangt alleen dat de lidstaten de Commissie in kennis stellen van de ondernomen acties.
- Geen eigen sanctie. Sancties blijven die welke de lidstaten vaststellen op grond van artikel 31 van de verordening en, los daarvan, artikel 22 van Richtlijn 2012/19/EU. Zie F-gassancties.
Het enige geldige antwoord voor een bepaald land staat in het nationale producentenregister voor AEEA en in de nationale omzettingsregeling van Richtlijn 2012/19/EU, samen met de wijziging die artikel 9 uitvoert. De door de Commissie gepubliceerde lijst van nationale contactpunten voor gefluoreerde broeikasgassen is het vertrekpunt voor vragen. Ga er niet van uit dat de regeling in het land van productie dezelfde is als in het land van verkoop: artikel 16, lid 1, van de richtlijn verlangt registratie in de lidstaat waarin wordt verkocht.
Tot de omzetting verandert er voor een servicebedrijf niets: de plichten inzake terugwinning, registratie en etikettering blijven die van de verordening. Wat geleidelijk verandert voor een fabrikant of importeur van apparatuur, is de kostenstructuur van het product dat na 11 maart 2024 in de handel is gebracht.
Checklist voor importeurs en distributeurs van apparatuur
Niets uit de onderstaande lijst wordt door artikel 9 zelf opgelegd. Het zijn de stappen waarmee een bedrijf zonder improvisatie kan antwoorden zodra de nationale regeling wordt verbreed.
- Bepaal of je producent bent in de zin van de richtlijnArtikel 3, lid 1, punt f), i) tot en met iv), van Richtlijn 2012/19/EU. Beroepsmatig ingevoerde apparatuur op de nationale markt brengen is al voldoende.
- Controleer of de apparatuur EEA isDe definitie in artikel 3, lid 1, punt a), en de uitsluitingen in artikel 2, leden 3 en 4, in het bijzonder grote vaste installaties.
- Splits de voorraad naar datum van in de handel brengenArtikel 9 geldt alleen voor apparatuur die vanaf 11 maart 2024 in de handel is gebracht.
- Bevestig de inschrijving in het nationale producentenregisterArtikel 16, leden 1 en 2, van de richtlijn; registratie vindt plaats in de lidstaat waarin wordt verkocht.
- Ga na of je een gemachtigde nodig hebtArtikel 17, leden 1 en 2; de aanwijzing gebeurt bij schriftelijk mandaat.
- Leg de gasgegevens per model vastGassoort, vulling in kilogram en CO2-equivalent staan al op het etiket dat artikel 12 van de verordening voorschrijft.
- Controleer de financieringsgarantieArtikel 12, lid 3, tweede alinea, van de richtlijn: collectieve regeling, recyclingverzekering of geblokkeerde bankrekening.
- Regel de eindelevensfase van de apparatuurArtikel 8 van de verordening eist terugwinning door naar behoren gekwalificeerde natuurlijke personen, ongeacht de financieringsregeling.
- Bewaar de registersArtikel 7 van de verordening voor apparatuur en artikel 16, lid 2, van de richtlijn voor de registratiegegevens.
- Volg de nationale omzettingsregelingDe termijn in artikel 9 is 31 december 2027; tot dan geldt de bestaande regeling.
Veelgestelde vragen
Legt artikel 9 mijn bedrijf een rechtstreekse verplichting op?
Nee. De geadresseerde is de lidstaat: die moet ervoor zorgen dat uiterlijk op 31 december 2027 de financieringsverplichtingen van de artikelen 12 en 13 van Richtlijn 2012/19/EU ook het gas omvatten. Een concrete verplichting voor een onderneming ontstaat pas door de nationale omzettingsregeling en de regels van de regeling waaraan zij deelneemt.
Geldt dit ook voor apparatuur die ik in 2023 heb verkocht?
Nee. De tekst beperkt de verbreding tot producten en apparatuur die vanaf 11 maart 2024 in de handel zijn gebracht. Oudere apparatuur blijft onder de bestaande nationale AEEA-regels vallen, inclusief het regime voor historisch afval in artikel 12, lid 4, en artikel 13, lid 1, van de richtlijn.
Mijn apparatuur werkt op propaan of ammoniak. Raakt dit mij?
Valt een ter plaatse gebouwde industriële chiller onder artikel 9?
Dat hangt af van de kwalificatie onder artikel 2, lid 4, punt c), van de richtlijn, dat grote vaste installaties uitsluit behalve apparatuur die niet specifiek als onderdeel daarvan is ontworpen en geïnstalleerd. Dat is een beoordeling per geval. Wat het antwoord ook is, de terugwinningsplicht van artikel 8 van de verordening geldt. Zie chillers en bijlage IV.
Wie betaalt als ik online naar een andere lidstaat verkoop?
Artikel 3, lid 1, punt f), iv), van de richtlijn beschouwt verkoop op afstand rechtstreeks aan gebruikers als producentenactiviteit, en artikel 16, lid 1, tweede alinea, verlangt registratie in de lidstaat waarnaar wordt verkocht, rechtstreeks of via de gemachtigde van artikel 17, lid 2.
Vervangt deze regeling de terugwinningsplicht op locatie?
Nee. Dat zijn twee verschillende dingen. Terugwinning bij ontmanteling blijft de plicht van de exploitant op grond van artikel 8 van de verordening en moet worden uitgevoerd door naar behoren gekwalificeerde natuurlijke personen. Artikel 9 betreft de financiering van de verwerking van het apparaat nadat het afval is geworden. Zie terugwinning van koudemiddel.
Officiële bronnen
Artikel 9 is volledig gelezen in de tekst van het Publicatieblad; de aangehaalde artikelen en bijlagen van Richtlijn 2012/19/EU zijn aan de richtlijntekst getoetst. Er wordt geen nationale regelgeving geciteerd.
Actualiteit van deze pagina en aansprakelijkheid
Deze pagina geeft artikel 9 van Verordening (EU) 2024/573 weer en de artikelen van Richtlijn 2012/19/EU waarnaar het verwijst. Zij bevat geen tarieven, bijdragen of namen van nationale regelingen en beschrijft niet hoe een lidstaat artikel 9 heeft omgezet, want de termijn in de tekst is 31 december 2027. Controleer de nationale regelgeving en het nationale producentenregister voordat je een commerciële beslissing neemt.
Algemene informatie van EgoLog op basis van de officiële tekst van de verordening, de richtlijn en materiaal van de Europese Commissie. Geen juridisch advies.
De bijlagen bij de verordening en de richtlijntekst kunnen worden gewijzigd. Werkzaamheden aan apparatuur met gefluoreerde broeikasgassen worden uitgevoerd door personen die gecertificeerd zijn op grond van artikel 10 van de verordening; deze pagina spoort niemand aan werk te doen waarvoor hij niet gekwalificeerd is.
