Kort antwoord
Voor een installateur leest bijlage IV in drie stappen. Bepaal eerst of de apparatuur autonoom opererend is (punt 8) of een splitsysteem (punt 9). Zoek daarna de nominale capaciteitsklasse. Vergelijk pas op het laatst het GWP van het koudemiddel met de grenswaarde van die regel.
- Afzonderlijke splitsystemen met minder dan 3 kg bijlage I-gassen mogen vanaf 1 januari 2025 niet meer in de handel worden gebracht als zij bijlage I-gassen met een GWP van 750 of meer gebruiken — bijlage IV, punt 9, a). Die regel kent geen veiligheidsuitzondering.
- Splitsystemen tot en met 12 kW verliezen gassen met een GWP van 150 of meer op 1 januari 2027 als lucht-water-systeem en op 1 januari 2029 als lucht-lucht-systeem; elk gefluoreerd broeikasgas verdwijnt op 1 januari 2035.
- Splitsystemen boven 12 kW verliezen gassen met een GWP van 750 of meer op 1 januari 2029 en gassen met een GWP van 150 of meer op 1 januari 2033.
- Autonoom opererende en monoblokapparatuur tot en met 12 kW stopt op 1 januari 2027 voor een GWP van 150 of meer, met een terugvalwaarde van 750 waar veiligheidseisen minder niet toelaten.
Het verbod raakt het in de handel brengen, niet het gebruik. Een toestel dat vóór de datum rechtmatig in de handel is gebracht, mag verder draaien en binnen de grenzen van artikel 13 onderhouden worden.
Geen prijzen, geen beschikbaarheid, geen productadvies, geen levertijden. Ook geen nationale sancties en geen cijfers over gevaarlijke goederen. De keuze tussen R-32 en R-410A staat in R-32 of R-410A, en de algemene datalijst in de F-gassen verbodskalender.
Wat in de handel brengen precies betekent
Artikel 3, punt 6, omschrijft het in de handel brengen als het douanetechnisch in het vrije verkeer brengen in de Unie, of het voor het eerst leveren of beschikbaar stellen aan een andere persoon binnen de Unie, al dan niet tegen betaling, of het gebruik van zelf geproduceerde stoffen of zelf vervaardigde apparatuur voor eigen gebruik. Het is niet de installatiedatum, niet de factuurdatum aan de eindklant en niet het moment van inbedrijfstelling.
Artikel 11, lid 1, eerste alinea, verbiedt het in de handel brengen van de in bijlage IV vermelde producten en apparatuur, met inbegrip van onderdelen daarvan, met een vrijstelling voor militaire apparatuur, met ingang van de in die bijlage vastgestelde datum, waarbij voor zover van toepassing wordt gedifferentieerd naar het type of het aardopwarmingsvermogen van het gas.
De tweede alinea houdt de onderdelen overeind: het in de handel brengen van onderdelen die nodig zijn voor de reparatie en de service van bestaande, in bijlage IV vermelde apparatuur is toegestaan, mits de reparatie of service niet leidt tot een verhoging van de capaciteit, een toename van de hoeveelheid gas of een verandering van het gastype die het aardopwarmingsvermogen zou verhogen.
De vijfde alinea raakt de handel: gedurende één jaar na de individuele data van bijlage IV wordt de latere levering of het beschikbaar stellen aan een andere persoon in de Unie van producten die vóór die datum legaal in de handel zijn gebracht, alleen toegestaan indien wordt aangetoond dat het product vóór die datum legaal in de handel is gebracht. De bewijslast verschuift naar wie de voorraad verkoopt.
Er zijn nog twee ventielen. Artikel 11, lid 2: het verbod geldt niet voor apparatuur waarvan overeenkomstig de op grond van Richtlijn 2009/125/EG vastgestelde eisen inzake ecologisch ontwerp is vastgesteld dat de CO2-equivalente emissies over de levenscyclus lager zouden zijn dan die van gelijkwaardige apparatuur die aan die eisen voldoet. Artikel 11, lid 5: na een met redenen omkleed verzoek van een bevoegde autoriteit kan de Commissie bij uitvoeringshandeling bij uitzondering een vrijstelling van ten hoogste 4 jaar toestaan wanneer alternatieven niet beschikbaar zijn of om technische of veiligheidsredenen niet kunnen worden gebruikt, of wanneer technisch haalbare en veilige alternatieven onevenredige kosten met zich zouden brengen.
Punt 8: autonome, monoblok- en stekkerklare apparatuur
Punt 8 van bijlage IV betreft autonoom opererende klimaatregelingsapparatuur en warmtepompen, met uitzondering van chillers. Artikel 3, punt 38, definieert de term: een volledig in de fabriek gemaakt systeem dat in een passend geraamte of behuizing zit, in één geheel of in twee of meer delen wordt gefabriceerd en vervoerd, afsluitkleppen kan bevatten en waaraan ter plekke geen onderdelen die gas bevatten worden aangesloten. Maakt de technicus de koudemiddelverbinding op de bouwplaats, dan zit u niet in punt 8.
| Punt van bijlage IV | Apparatuur | GWP-grenswaarde | Ingangsdatum verbod |
|---|---|---|---|
| 8, a) | Klimaatregelingsapparatuur met stekkeraansluiting die de eindgebruiker van kamer naar kamer kan verplaatsen | HFK met een GWP van 150 of meer | 1 januari 2020 |
| 8, b) | Stekkerklare ruimteapparatuur, monoblok, andere autonoom opererende klimaatregelingsapparatuur en autonoom opererende warmtepompen, nominale capaciteit van maximaal 12 kW | GWP van 150 of meer; laten veiligheidseisen op het bedrijfsterrein minder dan 150 niet toe, dan is de grenswaarde 750 | 1 januari 2027 |
| 8, c) | Dezelfde categorieën, maximaal 12 kW | Elk gefluoreerd broeikasgas; laten veiligheidseisen geen alternatieven toe, dan is de grenswaarde 750 | 1 januari 2032 |
| 8, d) | Monoblok- en andere autonoom opererende klimaatregelingsapparatuur en warmtepompen, nominale capaciteit van meer dan 12 kW maar niet meer dan 50 kW | GWP van 150 of meer; terugvalwaarde 750 bij veiligheidseisen | 1 januari 2027 |
| 8, e) | Andere autonoom opererende klimaatregelingsapparatuur en warmtepompen | GWP van 150 of meer; terugvalwaarde 750 bij veiligheidseisen | 1 januari 2030 |
Let op de volgorde: punt d), de klasse van 12 tot 50 kW, valt op dezelfde datum als punt b), terwijl punt e), dat de rest opvangt, pas in 2030 komt. De capaciteitsklasse weegt zwaarder dan de intuïtie.
Punt 9: split-klimaatregeling en split-warmtepompen
Artikel 3, punt 39, omschrijft het splitsysteem als een systeem dat is opgebouwd uit een aantal eenheden van koelmiddelleidingen die een afzonderlijke maar onderling verbonden eenheid vormen, waarbij onderdelen van het koelcircuit op de plaats van gebruik moeten worden geïnstalleerd en aangesloten. De voetnoot bij punt 9 voegt een vaak gemiste regel toe: voor de toepassing van de verordening worden vaste warmtepompen en klimaatregelingsapparatuur met twee luchtkanalen als split beschouwd (categorie 9) en aan dezelfde eisen onderworpen.
| Punt van bijlage IV | Apparatuur | GWP-grenswaarde | Ingangsdatum verbod |
|---|---|---|---|
| 9, a) | Afzonderlijke splitsystemen die minder dan 3 kg bijlage I-gassen bevatten | Bijlage I-gassen met een GWP van 750 of meer — zonder veiligheidsuitzondering | 1 januari 2025 |
| 9, b) | Lucht-water-splitsystemen, nominaal vermogen tot en met 12 kW | GWP van 150 of meer | 1 januari 2027 |
| 9, c) | Lucht-lucht-splitsystemen, nominaal vermogen tot en met 12 kW | GWP van 150 of meer | 1 januari 2029 |
| 9, d) | Splitsystemen, nominaal vermogen tot en met 12 kW | Elk gefluoreerd broeikasgas | 1 januari 2035 |
| 9, e) | Splitsystemen, nominaal vermogen van meer dan 12 kW | GWP van 750 of meer | 1 januari 2029 |
| 9, f) | Splitsystemen, nominaal vermogen van meer dan 12 kW | GWP van 150 of meer | 1 januari 2033 |
De punten b) tot en met f) dragen alle dezelfde slotformule: behalve indien dat nodig is om aan veiligheidseisen op het bedrijfsterrein te voldoen. Punt a) draagt die niet. Voor afzonderlijke splits onder 3 kg is de 750-lijn van 1 januari 2025 hard, en juist die lijn haalde R-410A (GWP 2 088 volgens de methode van bijlage VI) uit dat segment en liet R-32 staan (GWP 675, de bindende waarde uit bijlage I).
De status van beide gassen staat op de pagina's R-410A en R-32, en de veiligheidsgevolgen van de overstap naar A2L in veiligheidsklassen A1, A2L en A3.
De veiligheidsuitzondering: wat zij is en niet is
De formulering in bijlage IV luidt: behalve indien dat nodig is om aan veiligheidseisen op het bedrijfsterrein te voldoen. De term is omschreven in artikel 3, punt 42: eisen inzake de veiligheid van het gebruik van gefluoreerde broeikasgassen en natuurlijke koudemiddelen, of van producten en apparatuur die deze bevatten of nodig hebben, die het gebruik van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen of van alternatieven daarvoor verbieden, ook wanneer zij in een product of in apparatuur op een specifieke plaats van beoogd gebruik zijn vervat, wegens locatie- en toepassingsspecifieke kenmerken, vastgelegd in Unierecht of nationaal recht, of in een niet-bindende handeling met technische documentatie of normen die moeten worden toegepast om de veiligheid op die specifieke locatie te waarborgen, mits zij in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht.
Daaruit volgen drie praktische punten.
Het is geen voorkeur. Er moet een wettelijke eis of een op de locatie toepasselijke norm bestaan die het alternatief daadwerkelijk verbiedt. Dat een A2L-koudemiddel lastig te monteren is, is geen veiligheidseis.
Bij punt 8 geeft zij geen vrijbrief. De punten b) tot en met e) zeggen het uitdrukkelijk: indien er op grond van veiligheidseisen op het bedrijfsterrein geen gefluoreerde broeikasgassen met een GWP van minder dan 150 kunnen worden gebruikt, bedraagt de GWP-grenswaarde 750. De uitzondering verschuift de drempel, zij heft die niet op. Bij punt 9, b) tot en met f), stopt de tekst bij de algemene formule, zonder geschreven terugvalwaarde.
Zij wordt geëtiketteerd en gedocumenteerd. Artikel 12, lid 15, eist dat in de gevallen van de punten 2, b), 4, 5, c), 7, b), c) en d), 8, b) tot en met e), 9, b) tot en met f), 11, c), 16, 17, a), b) en c), en 19, a) en b), van bijlage IV het product of de apparatuur wordt geëtiketteerd met de vermelding dat het alleen mag worden gebruikt waar de veiligheidseisen of nationale veiligheidsnormen dat verlangen, en dat die eisen of normen op het etiket worden vermeld.
Artikel 13, lid 19, sluit de cirkel bij de inbedrijfstelling: voor apparatuur uit de punten 2, b), 4, 5, c), 7, b), c) en d), 8, b) tot en met e), 9, b) tot en met f), 11, c), 17, c), en 19, b), van bijlage IV is inbedrijfstelling na de betrokken verbodsdatum verboden, tenzij de exploitant kan aantonen dat de veiligheidseisen op de specifieke locatie de installatie van apparatuur onder de vermelde GWP-waarde niet toelaten, of dat de apparatuur vóór de verbodsdatum in de handel is gebracht. Artikel 13, lid 20, verlangt dat de documentatie ten minste 5 jaar wordt bewaard en op verzoek beschikbaar wordt gesteld.
Wat na de datum toegestaan blijft
De datum uit bijlage IV maakt de werven niet leeg. Zij stopt één ding: het voor het eerst beschikbaar stellen in de Unie. Daaromheen laat de tekst meerdere deuren open.
- Toestellen die al bij de exploitant staan mogen blijven draaien. Gebruiksbeperkingen komen uit artikel 13, niet uit bijlage IV, en hebben eigen data.
- Het installeren van een toestel dat rechtmatig in de handel is gebracht vóór de datum is door artikel 11 niet verboden. Voor de in artikel 13, lid 19, genoemde apparatuur moet de exploitant wel kunnen aantonen dat de apparatuur vóór de verbodsdatum in de handel is gebracht.
- Onderdelen blijven beschikbaar op grond van artikel 11, lid 1, tweede alinea, onder drie cumulatieve voorwaarden: geen verhoging van de capaciteit, geen toename van de hoeveelheid gas en geen verandering van gastype naar een hoger GWP.
- Doorverkoop van voorraad kan, maar vergt één jaar na de datum het bewijs van rechtmatig in de handel brengen vóór die datum — artikel 11, lid 1, vijfde alinea.
Twee verplichtingen gelden bij verkoop hoe dan ook. Artikel 11, lid 7: niet-hermetisch gesloten apparatuur gevuld met gassen uit bijlage I en uit bijlage II, afdeling 1, mag alleen aan een eindgebruiker worden verkocht wanneer wordt aangetoond dat de installatie wordt uitgevoerd door een overeenkomstig artikel 10 gecertificeerde onderneming. En artikel 12, lid 1, b) en c), verlangt etikettering van klimaatregelingsapparatuur en warmtepompen met de gegevens uit lid 3: de vermelding dat de apparatuur gefluoreerde broeikasgassen bevat, de aanvaarde industriële benaming van het gas en, vanaf 1 januari 2017, de hoeveelheid uitgedrukt in gewicht en in CO2-equivalent samen met het GWP.
De verkoopkant staat in de gids over de verkoop van voorgevulde apparatuur aan eindgebruikers, en de inhoud van het etiket in het F-gas-etiket van apparatuur.
Het verband met de onderhoudsverboden
Bijlage IV zegt wat u nog mag verkopen. Artikel 13 zegt wat u nog in de machine mag doen. Het zijn twee kalenders en zij kunnen op dezelfde installatie botsen.
Artikel 13, lid 4, eerste alinea: met ingang van 1 januari 2026 is het gebruik van in bijlage I vermelde gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van 2 500 of meer voor het onderhoud of de service van klimaatregelingsapparatuur en warmtepompen verboden. De tweede alinea schort dat verbod tot 1 januari 2032 op voor twee categorieën: geregenereerde bijlage I-gassen met een GWP van 2 500 of meer voor bestaande apparatuur, mits de houders overeenkomstig artikel 12, lid 7, zijn geëtiketteerd; en gerecyclede bijlage I-gassen met een GWP van 2 500 of meer, mits zij uit dergelijke apparatuur zijn teruggewonnen en alleen worden gebruikt door de onderneming die de terugwinning in het kader van het onderhoud of de service heeft uitgevoerd, of door de onderneming waarvoor die is uitgevoerd.
Voor een gewoon aircopark raakt de 2 500-lijn noch R-410A (2 088), noch R-407C (1 774), noch R-134a (1 430). Zij raakt wel gassen van het type R-404A of R-507A daar waar die in warmtepompen of gemengde installaties zijn toegepast.
Artikel 13, lid 5, de 750-stap van 1 januari 2032, betreft stationaire koelingapparatuur, met uitzondering van chillers, niet de klimaatregeling. Trek naar warmtepompen niet door wat de tekst niet zegt.
De volledige behandeling van artikel 13 staat in de gids over onderhoudsverboden voor koudemiddelen met hoog GWP, en de positie van chillers in chillers en de verboden van bijlage IV.
Checklist vóór de offerte
- Bepaal of de apparatuur autonoom opererend of split isArtikel 3, punt 38, voor autonoom; punt 39 voor split; vaste apparatuur met twee luchtkanalen valt volgens de voetnoot onder punt 9.
- Lees het nominale vermogen, niet het catalogus-koelvermogenDe klassen van bijlage IV zijn tot en met 12 kW, meer dan 12 kW en bij punt 8, d), meer dan 12 kW maar niet meer dan 50 kW.
- Toets bij afzonderlijke splits de vulling aan 3 kgPunt 9, a), geldt voor afzonderlijke splitsystemen die minder dan 3 kg bijlage I-gassen bevatten.
- Vergelijk het GWP met de grenswaarde van de juiste regel750 bij punt 9, a) en e); 150 bij de punten b), c) en f); elk gefluoreerd broeikasgas bij punt d).
- Ga niet uit van de veiligheidsuitzonderingPunt 9, a), heeft er geen; bij punt 8, b) tot en met e), verlaagt de uitzondering de drempel tot 750, zij schrapt die niet.
- Ga na of het etiket de veiligheidsvermelding nodig heeftArtikel 12, lid 15, noemt de betrokken punten en verlangt dat de eis of norm op het etiket wordt vermeld.
- Leg voor oudere voorraad het bewijs klaarArtikel 11, lid 1, vijfde alinea: één jaar na de datum vergt doorverkoop het bewijs van eerder rechtmatig in de handel brengen.
- Bevestig dat de installatie naar een gecertificeerd bedrijf gaatArtikel 11, lid 7, voor gevulde niet-hermetisch gesloten apparatuur, met de verkopersregisters uit artikel 7, lid 4.
- Controleer ook de onderhoudskantArtikel 13, lid 4, voor klimaatregeling en warmtepompen vanaf 1 januari 2026, met het venster voor geregenereerd of gerecycled gas tot 1 januari 2032.
Veelgestelde vragen
Mag ik in 2027 een in 2024 gekocht splittoestel installeren?
Artikel 11 verbiedt het in de handel brengen, niet het installeren. Is de apparatuur vóór de datum van bijlage IV rechtmatig in de handel gebracht, dan staat dat artikel de installatie niet in de weg. Let wel op artikel 13, lid 19: voor de daar genoemde apparatuur, waaronder punt 9, b) tot en met f), vergt inbedrijfstelling na de verbodsdatum het bewijs dat de apparatuur eerder in de handel is gebracht; de documentatie wordt op grond van lid 20 ten minste 5 jaar bewaard.
Is een toestel met twee luchtkanalen monoblok of split?
De voetnoot bij punt 9 van bijlage IV is duidelijk: voor de toepassing van de verordening worden vaste warmtepompen en klimaatregelingsapparatuur met twee luchtkanalen als split beschouwd, categorie 9, en aan dezelfde eisen onderworpen. Zij vallen niet onder punt 8, ook al zijn ze fysiek één kast.
Waarom verving R-32 de R-410A in afzonderlijke splits?
Door bijlage IV, punt 9, a): vanaf 1 januari 2025 mogen afzonderlijke splitsystemen met minder dan 3 kg bijlage I-gassen niet meer in de handel worden gebracht als zij bijlage I-gassen met een GWP van 750 of meer gebruiken. R-410A heeft volgens de methode van bijlage VI een GWP van 2 088 en gaat over de lijn. R-32 heeft 675, de bindende waarde uit bijlage I, en blijft eronder. De vergelijking staat in R-32 of R-410A.
Mag ik met een veiligheidseis elk gas gebruiken?
Nee. Bij punt 8, b) tot en met e), zegt de tekst helder dat, indien er op grond van veiligheidseisen op het bedrijfsterrein geen gefluoreerde broeikasgassen met een GWP van minder dan 150 kunnen worden gebruikt, de GWP-grenswaarde 750 bedraagt. De uitzondering verlaagt de drempel tot 750; zij schrapt die niet. Artikel 3, punt 42, verlangt bovendien dat het verbod op het alternatief voortvloeit uit Unierecht of nationaal recht of uit een op die locatie toe te passen norm, niet uit een montagevoorkeur.
Mag ik mijn voorraad na de verbodsdatum nog verkopen?
Apparatuur die vóór de datum rechtmatig in de handel is gebracht, mag worden doorgeleverd. Op grond van artikel 11, lid 1, vijfde alinea, wordt één jaar na de individuele datum van bijlage IV de latere levering of het beschikbaar stellen aan een andere persoon in de Unie echter alleen toegestaan indien wordt aangetoond dat de apparatuur vóór die datum legaal in de handel is gebracht. Leg dat dossier nu aan, niet bij de controle.
Geldt het verbod ook voor onderdelen?
Artikel 11, lid 1, eerste alinea, betreft producten en apparatuur met inbegrip van onderdelen daarvan. De tweede alinea maakt daarop een uitzondering voor onderdelen die nodig zijn voor de reparatie en de service van bestaande, in bijlage IV vermelde apparatuur, onder drie cumulatieve voorwaarden: de reparatie mag de capaciteit niet verhogen, de hoeveelheid gas niet doen toenemen en het gastype niet wijzigen naar een hoger aardopwarmingsvermogen.
Officiële bronnen
Bijlage IV punten 8 en 9, de voetnoot bij punt 9 en de artikelen 3, 11, 12 en 13 zijn gelezen in de tekst van het Publicatieblad. De officiële taalversies zijn voor de terminologie geraadpleegd.
Actualiteit van deze pagina en aansprakelijkheid
De data en grenswaarden op deze pagina zijn overgenomen uit bijlage IV bij Verordening (EU) 2024/573 zoals gepubliceerd in het Publicatieblad. De bijlage kan bij gedelegeerde handeling worden gewijzigd en de taalversies kunnen in bewoordingen licht verschillen. Raadpleeg vóór een inkoop- of ontwerpbeslissing de geldende tekst in de taal van de lidstaat waar de apparatuur in de handel wordt gebracht.
Algemene informatie van EgoLog op basis van de verordening en officieel materiaal van de Commissie. Het is geen juridisch advies en vervangt niet de beoordeling door een ontwerper of een bevoegde autoriteit.
Installatie, service, reparatie en buitengebruikstelling van apparatuur met gefluoreerde broeikasgassen mogen alleen worden uitgevoerd door personeel dat op grond van artikel 10 is gecertificeerd. Koudemiddelen van de klassen A2L en A3 vergen extra veiligheidsmaatregelen op de montageplaats.
