Kort antwoord
Commerciële koeling valt onder vier regels van bijlage IV, en die overlappen niet: elke regel draagt een uitsluiting die haar van de andere scheidt.
- Punt 3 — koelkasten en diepvriezers voor commercieel gebruik, autonoom opererende apparatuur: HFK met een GWP van 2 500 of meer vanaf 1 januari 2020, HFK met een GWP van 150 of meer vanaf 1 januari 2022, andere gefluoreerde broeikasgassen met een GWP van 150 of meer vanaf 1 januari 2025. Zonder veiligheidsuitzondering.
- Punt 4 — alle autonoom opererende koelingapparatuur, met uitzondering van chillers, met gassen vanaf een GWP van 150: 1 januari 2025, behalve indien dat nodig is om aan veiligheidseisen op het bedrijfsterrein te voldoen.
- Punt 5 — koelingapparatuur, met uitzondering van chillers en de apparatuur van de punten 4 en 6: 2 500 vanaf 1 januari 2020 voor HFK en vanaf 1 januari 2025 voor gefluoreerde broeikasgassen, daarna 150 vanaf 1 januari 2030.
- Punt 6 — koelingsystemen met centraal opgestelde compressoren voor commercieel gebruik met een nominale capaciteit van 40 kW of meer: bijlage I-gassen met een GWP van 150 of meer zijn verboden vanaf 1 januari 2022, met één opening, het primaire koelmiddelcircuit van cascadesystemen, waarin gassen met een GWP van minder dan 1 500 mogen worden gebruikt.
Na de installatie nemen drie andere artikelen het over: artikel 13 voor wat u nog mag vullen, artikel 5 voor de lekcontrole en artikel 6 voor het verplichte detectiesysteem.
Geen prijzen, geen beschikbaarheid, geen apparatuuradvies en geen ontwerp voor een specifieke winkel. Ook geen nationale sancties en geen cijfers over gevaarlijke goederen. Voor het vervangen van een bestaand gas zie R-404A vervangen; voor het natuurlijke alternatief R-744 in commerciële koeling.
Drie definities bepalen de regel
Lees vóór de tabellen artikel 3. Een verkeerde indeling verschuift de verbodsdatum met jaren.
Commercieel gebruik, artikel 3, punt 29: gebruik voor het opslaan, uitstallen of de distributie van producten in de detailhandel en catering die te koop zijn voor eindgebruikers. Een identieke diepvriezer in een restaurantkeuken en een in een industrieel magazijn vallen niet per se hetzelfde uit.
Autonoom opererend, artikel 3, punt 38: een volledig in de fabriek gemaakt systeem dat in een passend geraamte of behuizing zit, in één geheel of in twee of meer delen wordt gefabriceerd en vervoerd, afsluitkleppen kan bevatten en waaraan ter plekke geen onderdelen die gas bevatten worden aangesloten.
Koelsysteem met centraal opgestelde compressoren, artikel 3, punt 34: systeem met twee of meer parallel werkende compressoren, die op een of meer gemeenschappelijke condensors en op een aantal koeltoestellen zoals vriestoonkasten, vrieskasten en diepvriezers, of gekoelde opslagruimten, zijn aangesloten. Dat is de definitie van het supermarktrack.
Twee andere tellen ook. Het primaire koelmiddelcircuit van cascadesystemen, artikel 3, punt 35: het primaire circuit in indirecte middentemperatuursystemen waarin twee of meer afzonderlijke koelcircuits in serie zijn geschakeld zodat het primaire circuit de condensorwarmte van een secundair circuit voor de middentemperatuur opneemt. En chiller, artikel 3, punt 44: een afzonderlijk systeem met als voornaamste functie het koelen van een warmtegeleidende vloeistof zoals water, glycol, pekel of CO2 voor koelings-, proces-, bewaar- of comfortdoeleinden. Chillers zijn uitdrukkelijk uitgezonderd van de punten 4 en 5 en hebben een eigen regel, punt 7, behandeld in de gids over chillers.
Punten 3, 4 en 5: koelmeubelen en de overige apparatuur
| Punt van bijlage IV | Apparatuur | GWP-grenswaarde en uitzondering | Ingangsdatum verbod |
|---|---|---|---|
| 3, a) | Koelkasten en diepvriezers voor commercieel gebruik, autonoom opererende apparatuur | HFK met een GWP van 2 500 of meer — zonder uitzondering | 1 januari 2020 |
| 3, b) | Dezelfde | HFK met een GWP van 150 of meer — zonder uitzondering | 1 januari 2022 |
| 3, c) | Dezelfde | Andere gefluoreerde broeikasgassen met een GWP van 150 of meer — zonder uitzondering | 1 januari 2025 |
| 4 | Alle autonoom opererende koelingapparatuur, met uitzondering van chillers | GWP van 150 of meer, behalve indien dat nodig is om aan veiligheidseisen op het bedrijfsterrein te voldoen | 1 januari 2025 |
| 5, a) | Koelingapparatuur, met uitzondering van chillers en de apparatuur van de punten 4 en 6 | HFK met een GWP van 2 500 of meer, met uitzondering van apparatuur bedoeld om producten te koelen tot onder min 50 graden Celsius | 1 januari 2020 |
| 5, b) | Dezelfde | Gefluoreerde broeikasgassen met een GWP van 2 500 of meer, met dezelfde temperatuuruitzondering | 1 januari 2025 |
| 5, c) | Dezelfde | Gefluoreerde broeikasgassen met een GWP van 150 of meer, behalve indien dat nodig is om aan veiligheidseisen op het bedrijfsterrein te voldoen | 1 januari 2030 |
Het verschil tussen punt 3 en punt 4 verdient nadruk. Punt 3 spreekt over koelkasten en diepvriezers voor commercieel gebruik en laat geen veiligheidsdeur open. Punt 4 dekt alle autonoom opererende koelingapparatuur, ongeacht het doel, en laat die deur wel open. Valt uw meubel onder punt 3, dan telt voor HFK het jaar 2022, niet 2025.
Bij punt 5 is de uitzondering geen veiligheids- maar een temperatuuruitzondering: apparatuur die bedoeld is voor toepassingen om producten te koelen tot temperaturen onder min 50 graden Celsius blijft buiten de punten a) en b). Punt c) keert daarentegen terug naar de gebruikelijke formule van de veiligheidseisen.
Punt 6: centrale supermarktracks
De tekst van punt 6 is kort en moet woord voor woord worden gelezen: koelingsystemen met centraal opgestelde compressoren voor commercieel gebruik met een nominale capaciteit van 40 kW of meer, die in bijlage I opgenomen gefluoreerde broeikasgassen met een GWP van 150 of meer bevatten of nodig hebben voor hun werking, mogen vanaf 1 januari 2022 niet in de handel worden gebracht, met uitzondering van een primair koelmiddelcircuit van cascadesystemen waarin gefluoreerde broeikasgassen met een GWP van minder dan 1 500 mogen worden gebruikt.
Vier elementen worden afzonderlijk getoetst.
- Commercieel gebruik in de zin van artikel 3, punt 29. Een identiek rack in een voedingsproductiehal zit niet automatisch in dezelfde categorie.
- Nominale capaciteit van 40 kW of meer. Daaronder geldt punt 6 niet; de apparatuur valt onder punt 5, met de daar genoemde data.
- Bijlage I-gassen. Punt 6 zegt niet in het algemeen gefluoreerde broeikasgassen, maar in bijlage I opgenomen gassen. De formulering wijkt af van die van de punten 4 en 5, b) en c).
- De cascade-opening. Die geldt alleen voor het primaire circuit in de zin van artikel 3, punt 35, en alleen tot een GWP van minder dan 1 500. Het is geen vrijstelling voor het hele systeem.
Voor een nieuwe winkel betekent dat in de praktijk dat het middentemperatuur- en het vriescircuit naar oplossingen met laag GWP gaan, en dat de cascade de enige structuur blijft waarin aan de primaire zijde een gefluoreerd broeikasgas met een GWP onder 1 500 is toegestaan. Het meest gebruikte natuurlijke alternatief in dit segment staat in R-744 (CO2) in commerciële koeling.
Wat u nog mag vullen: artikel 13
Bijlage IV stopt de verkoop van de installatie. Artikel 13 stopt het vullen ervan. Voor commerciële koeling tellen twee leden.
Artikel 13, lid 3. Het gebruik van gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van 2 500 of meer voor het onderhoud of de service van koelingapparatuur met een koelmiddelvulling van 40 ton CO2-equivalent of meer is verboden. Met ingang van 1 januari 2025 geldt het verbod voor alle koelingapparatuur, ongeacht de vulling. De tweede alinea haalt militaire apparatuur en apparatuur bedoeld om producten te koelen tot onder min 50 graden Celsius eruit. De derde alinea schort het verbod tot 1 januari 2030 op voor geregenereerde bijlage I-gassen met een GWP van 2 500 of meer voor bestaande apparatuur, mits de houders overeenkomstig artikel 12, lid 7, zijn geëtiketteerd, en voor gerecyclede gassen met een GWP van 2 500 of meer, mits zij uit dergelijke apparatuur zijn teruggewonnen en alleen worden gebruikt door de onderneming die de terugwinning heeft uitgevoerd of door de onderneming waarvoor die is uitgevoerd. De vierde alinea voegt de apparatuur toe waarvoor op grond van artikel 11, lid 5, een vrijstelling is toegekend.
Artikel 13, lid 5. Met ingang van 1 januari 2032 is het gebruik van bijlage I-gassen met een aardopwarmingsvermogen van 750 of meer voor het onderhoud of de service van stationaire koelingapparatuur, met uitzondering van chillers, verboden. De uitzonderingen zijn militaire apparatuur, apparatuur bedoeld om te koelen tot onder min 50 graden Celsius en apparatuur bedoeld om kerncentrales te koelen. Geregenereerd en gerecycled gas met een GWP van 750 of meer blijft toegestaan, onder dezelfde etiketterings- en herkomstvoorwaarden — en hier noemt de tekst geen einddatum, anders dan in de leden 3 en 4.
Voor een park op R-404A (GWP 3 922 volgens bijlage VI) of R-507A (3 985) is de 2 500-lijn al overschreden. Voor een park op R-448A (1 386) of R-449A (1 396) geldt de 2 500-lijn niet, maar de 750-lijn van 2032 wel. De volledige behandeling staat in de gids over onderhoudsverboden, en de vervangingsroute in R-404A vervangen.
Lekcontrole, detectiesysteem en registers
Een middelgrote winkel gaat snel over de drempels van artikel 5, en een supermarkt ook over die van artikel 6.
Wie en vanaf welke drempel. Artikel 5, lid 1: exploitanten en fabrikanten van apparatuur die 5 ton CO2-equivalent of meer bijlage I-gassen bevat, of 1 kilogram of meer gassen uit bijlage II, afdeling 1, die niet in schuim zijn vervat, zorgen ervoor dat de apparatuur op lekken wordt gecontroleerd. Lid 2 somt de betrokken stationaire apparatuur op, en punt a) is de koelingapparatuur zelf.
Frequentie. Artikel 5, lid 6: onder 50 ton CO2-equivalent ten minste elke 12 maanden, of elke 24 maanden als er een lekdetectiesysteem is geïnstalleerd; van 50 tot minder dan 500 ton ten minste elke 6 maanden, of elke 12 maanden met detectiesysteem; vanaf 500 ton ten minste elke 3 maanden, of elke 6 maanden met detectiesysteem. Voor gassen uit bijlage II, afdeling 1, gelden kilogramdrempels: onder 10, van 10 tot minder dan 100 en vanaf 100.
Het detectiesysteem. Artikel 6, lid 1: exploitanten van stationaire apparatuur uit artikel 5, lid 2, punten a) tot en met d), die bijlage I-gassen bevat in hoeveelheden van 500 ton CO2-equivalent of meer, of 100 kilogram of meer gassen uit bijlage II, afdeling 1, zorgen ervoor dat de apparatuur een lekdetectiesysteem heeft dat de exploitant of een servicebedrijf van een lek op de hoogte stelt. Lid 3 verlangt dat het detectiesysteem zelf ten minste eenmaal per 12 maanden wordt gecontroleerd.
De registers. Artikel 7, lid 1, verlangt per controleplichtige installatie een register met de hoeveelheid en het type gas, de bij installatie en service bijgevulde hoeveelheden, de teruggewonnen hoeveelheid, de herkomst van het bijgevulde gas, de identiteit van de uitvoerende onderneming, de data en resultaten van de controles en van de reparaties, en de maatregelen bij buitengebruikstelling. Lid 2 verlangt bewaring van ten minste 5 jaar, bij de exploitant en in kopie bij het servicebedrijf, tenzij de gegevens in een databank van de bevoegde autoriteiten zijn opgeslagen.
De details staan in de gidsen over de frequentie van lekcontroles, lekdetectiesystemen en het installatieregister.
Veiligheidsuitzondering, etiket en inbedrijfstelling
De uitzondering behalve indien dat nodig is om aan veiligheidseisen op het bedrijfsterrein te voldoen komt in de commerciële koeling alleen voor bij punt 4 en bij punt 5, c). Zij komt niet voor bij punt 3 en niet bij punt 6.
Artikel 3, punt 42, omschrijft veiligheidseisen als eisen inzake de veiligheid van het gebruik van gefluoreerde broeikasgassen en natuurlijke koudemiddelen, of van producten die deze bevatten, die het gebruik van bepaalde gassen of van alternatieven daarvoor verbieden, ook op een specifieke plaats van beoogd gebruik wegens locatie- en toepassingsspecifieke kenmerken, vastgelegd in Unierecht of nationaal recht of in een niet-bindende handeling met technische documentatie of normen die moeten worden toegepast om de veiligheid op die locatie te waarborgen.
Als de uitzondering geldt, volgen twee verplichtingen.
- Etiket. Artikel 12, lid 15, noemt de punten 4 en 5, c), in de lijst van gevallen waarin de apparatuur moet worden geëtiketteerd met de vermelding dat zij alleen mag worden gebruikt waar de veiligheidseisen of nationale veiligheidsnormen dat verlangen; die eisen moeten op het etiket worden vermeld.
- Bewijs bij inbedrijfstelling. Artikel 13, lid 19, noemt eveneens de punten 4 en 5, c): inbedrijfstelling na de verbodsdatum is verboden, tenzij de exploitant kan aantonen dat de veiligheidseisen op de specifieke locatie geen apparatuur onder de vermelde GWP-waarde toelaten, of dat de apparatuur vóór de verbodsdatum in de handel is gebracht. Lid 20 verlangt bewaring van de documentatie gedurende ten minste 5 jaar.
Daarnaast blijven de algemene regels gelden: artikel 11, lid 1, tweede alinea, voor reparatieonderdelen, die de capaciteit, de hoeveelheid gas of het GWP niet mogen verhogen; artikel 11, lid 5, voor de uitzonderlijke vrijstelling van ten hoogste 4 jaar die de Commissie toestaat; artikel 12, lid 1, a), en lid 3 voor de etikettering van koelingapparatuur; en artikel 8, leden 1 en 2, a), voor de terugwinning van het gas uit de koelcircuits bij buitengebruikstelling, door personen die op grond van artikel 10 zijn gecertificeerd.
Checklist voor een winkel
- Stel vast of het gebruik commercieel is in de zin van artikel 3, punt 29Opslaan, uitstallen of distributie van producten in de detailhandel en catering die te koop zijn voor eindgebruikers.
- Deel de apparatuur in: autonoom, centraal systeem of iets andersArtikel 3, punt 38, voor autonoom; punt 34 voor centrale systemen; chillers hebben een eigen regel, punt 7.
- Controleer of het rack boven 40 kW nominale capaciteit uitkomtBijlage IV punt 6 geldt vanaf 40 kW; daaronder valt de apparatuur onder punt 5.
- Bereken de vulling in ton CO2-equivalentArtikel 3, punt 3: gewicht in metrieke tonnen maal het GWP; de drempels van de artikelen 5 en 6 worden op dat getal gelezen.
- Vergelijk het GWP met de toepasselijke grens van artikel 132 500 vanaf 1 januari 2025 voor alle koelingapparatuur, 750 vanaf 1 januari 2032 voor stationaire apparatuur zonder chillers.
- Ga na of een lekdetectiesysteem verplicht isArtikel 6, lid 1: 500 ton CO2-equivalent of 100 kg gassen uit bijlage II, afdeling 1; controle van het systeem ten minste elke 12 maanden, lid 3.
- Open het installatieregister vóór de eerste ingreepArtikel 7, lid 1, a) tot en met g); bewaring ten minste 5 jaar bij de exploitant en bij het servicebedrijf, lid 2.
- Leg het bewijs klaar als u zich op een veiligheidseis beroeptArtikel 13, leden 19 en 20, voor de punten 4 en 5, c), plus het etiket uit artikel 12, lid 15.
- Bevestig dat terugwinning bij buitengebruikstelling is voorzienArtikel 8, leden 1 en 2, a): de koelcircuits, door personen die op grond van artikel 10 zijn gecertificeerd.
Veelgestelde vragen
Valt mijn koelmeubel onder punt 3 of punt 4?
Punt 3 betreft koelkasten en diepvriezers voor commercieel gebruik, autonoom opererende apparatuur; commercieel gebruik is omschreven in artikel 3, punt 29. Punt 4 dekt alle autonoom opererende koelingapparatuur, met uitzondering van chillers. Is het meubel een koelkast of diepvriezer voor detailhandel of catering, dan geldt punt 3, met de vroegere data en zonder veiligheidsuitzondering.
Ontsnapt mijn rack onder 40 kW aan het verbod?
Het ontsnapt aan punt 6, dat geldt voor centrale systemen voor commercieel gebruik met een nominale capaciteit van 40 kW of meer. Aan de verordening ontsnapt het niet: zo'n systeem valt onder punt 5, dat gefluoreerde broeikasgassen met een GWP van 2 500 of meer vanaf 1 januari 2025 verbiedt en die met een GWP van 150 of meer vanaf 1 januari 2030.
Wat laat de cascade-opening precies toe?
Punt 6 laat gefluoreerde broeikasgassen met een GWP van minder dan 1 500 uitsluitend toe in het primaire koelmiddelcircuit van cascadesystemen, zoals omschreven in artikel 3, punt 35. Het is een circuituitzondering, geen systeemuitzondering: de rest van de installatie blijft gebonden aan de grens van 150 voor bijlage I-gassen.
Mag ik een R-404A-installatie nog bijvullen?
Niet met nieuw gas. Artikel 13, lid 3, verbiedt vanaf 1 januari 2025 het gebruik van gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van 2 500 of meer voor het onderhoud of de service van alle koelingapparatuur, en R-404A heeft volgens bijlage VI een GWP van 3 922. Tot 1 januari 2030 blijft het venster open voor geregenereerd gas dat overeenkomstig artikel 12, lid 7, is geëtiketteerd, en voor gerecycled gas dat uit dergelijke apparatuur is teruggewonnen, onder de voorwaarden van de derde alinea.
Verlaagt een detectiesysteem mijn controlefrequentie?
Ja, en artikel 5, lid 6, zegt met hoeveel: onder 50 ton CO2-equivalent van 12 naar 24 maanden; tussen 50 en 500 ton van 6 naar 12 maanden; vanaf 500 ton van 3 naar 6 maanden. Boven 500 ton is het systeem niet langer vrijwillig: artikel 6, lid 1, maakt het verplicht.
Wie houdt het register bij, de winkel of het servicebedrijf?
Allebei. Artikel 7, lid 1, legt de plicht om het register aan te leggen en bij te houden bij de exploitant van de apparatuur. Lid 2, b), verlangt echter dat ondernemingen die de activiteiten van punt e) uitvoeren — installatie, service, onderhoud, terugwinning, reparatie, lekcontrole of buitengebruikstelling — kopieën van diezelfde gegevens ten minste 5 jaar bewaren.
Officiële bronnen
Bijlage IV punten 3 tot en met 6 en de artikelen 3, 5, 6, 7, 8, 11, 12 en 13 zijn gelezen in de tekst van het Publicatieblad. De officiële taalversies zijn voor de terminologie geraadpleegd.
Actualiteit van deze pagina en aansprakelijkheid
De data, drempels en grenswaarden op deze pagina zijn overgenomen uit Verordening (EU) 2024/573 zoals gepubliceerd in het Publicatieblad. Bijlage IV kan bij gedelegeerde handeling worden gewijzigd. Of een concrete installatie onder het ene of het andere punt van de bijlage valt, hangt af van technische gegevens die alleen de fabrikantendocumentatie kan bevestigen.
Algemene informatie van EgoLog op basis van de verordening en officieel materiaal van de Commissie. Het is geen juridisch advies en vervangt geen specialistisch ontwerp of het oordeel van een bevoegde autoriteit.
Installatie, service, reparatie en buitengebruikstelling van koelingapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen mogen alleen worden uitgevoerd door personeel dat op grond van artikel 10 is gecertificeerd. CO2-systemen werken onder hoge druk en koolwaterstoffen zijn brandbaar: beide vergen specifieke procedures op de montageplaats.
